Wat kunt u bij ons doen?

Piano

Piano

De piano is een slag-, toets- en snaarinstrument uit de citerfamilie dat bespeeld wordt met een enkel klavier en twee of drie pedalen. De piano heeft grote witte toetsen en kleine zwarte toetsen. Bij de voorlopers van de piano (klavecimbel) waren deze kleuren omgekeerd. De moderne piano is geëvolueerd uit de fortepiano, het instrument waarop bijvoorbeeld Mozart al zijn pianomuziek heeft gecomponeerd.

Pianoforte betekent in het Italiaans letterlijk zacht (en) sterk. Doordat de kracht waarmee een hamer van het speelmechaniek de snaren bespeelt, afhangt van de wijze van bespelen van een toets, kan elke toon afzonderlijk zowel luid als zacht (en de nuances daartussen) gespeeld worden. Dit ontbrak bij de voorlopers van de piano, waaronder bijvoorbeeld het klavecimbel. Later werd de naam verder ingekort tot piano; tegenwoordig heeft de term pianoforte de betekenis gekregen van “authentiek instrument” van de barok- en klassieke periode. Soms ziet men ook wel de term fortepiano, wanneer men de voorloper van de moderne piano bedoelt.
In het Italiaans is de gewone term nog steeds pianoforte, de vleugelpiano heet pianoforte a coda, letterlijk piano met staart. Het Russisch spreekt omgekeerd van fortepiano als algemene naam voor de moderne piano (pjanino)of vleugel (royal’).

Buffetpiano en vleugel

Er bestaan twee vormen:

  • In een huiskamerpiano (ook buffetpiano of pianino genoemd) zijn de snaren aangebracht in een verticaal vlak. Dit instrument wordt meestal tegen de muur geplaatst. Er is vrij weinig ruimte voor nodig. Deze piano klinkt minder sterk dan de vleugelpiano.
  • In een vleugel of vleugelpiano zijn de snaren aangebracht in een horizontaal vlak. Doorgaans wordt de vleugel bij concerten ingezet wegens betere geluidsprojectie, een groter volume en vooral qua speeltechniek een fijnere beheersing van het doseren van de klanksterkte.

Soms wordt gezegd dat alleen het eerstgenoemde instrument “piano” mag worden genoemd. Men spreekt dan wel van “een piano of vleugel”. In het algemeen heten echter beide instrumenten “piano”. Men spreekt over een pianoconcert en over een pianist, ook als er op een vleugel wordt gespeeld.

Mechanisch verschillen vleugel en buffetpiano hierin, dat de hamers bij een vleugel van onderaf tegen de snaren slaan en in een piano van opzij.

Geschiedenis

De piano is tussen 1698 en 1709 door Bartolomeo Cristofori in Florence uitgevonden, en heette toen Gravicembalo col piano’e forte, pianoforte, fortepiano, of hammerklavier. Silbermann was een van de eerste Duitse pianobouwers, en Johann Sebastian Bach heeft ook al kennis gehad van diens instrumenten. De vernieuwing van klavecimbel naar pianoforte was enorm, er was een nieuw type instrument ontwikkeld, dat een totaal andere klank had. Aanvankelijk waren de hamertjes met hard leer omspannen, later werd dat vervangen door het zachtere samengeperste vilten hamertje, wat grote invloed op de klank had, en een rondere meer zangerige toon opleverde. Het mechaniek werkte aanvankelijk als volgt: Drukte men een toets in, dan sloeg een hamertje tegen een snaar. Dat was een vernieuwing, want tot die tijd kende men alleen het door een toets getokkelde snaar principe. Bij het stoss-mechaniek (het latere Engelse mechaniek) zit de hamer op een aparte hamerlijst, bij het prell-mechaniek (werd later het Duitse of Weense mechaniek) is de hamer onmiddellijk op het achtereinde van de toets bevestigd. Dit mechaniek speelde veel lichter dan het stoss-mechaniek. Broadwood kreeg het patent op de uitvinding van het pedaal in 1783. Sindsdien had elke piano twee of drie pedalen. In beide gevallen was het linkerpedaal om de toon zachter te laten klinken, en het rechterpedaal om de toon te laten “galmen”. Had een piano drie pedalen, dan was het middelste pedaal het repetitiepedaal. Het repetitiepedaal zorgde voor een nogal muffe klank, maar zo hadden je buren er geen last van. Vooral niet als je thuis een net gecomposeerd lied ging spelen, dat voor hen klonk als raar gerammel. In 1822 vond Erard het repetitiemechaniek uit (mechanisme à double échappement), waarbij de hamer na de aanslag niet in de rusttoestand terugvalt, doch halverwege wordt opgevangen door een met leer bespannen vanger. Het voordeel was dat er nu sneller achtereen op dezelfde toets kon worden gespeeld ofwel gerepeteerd. Het gietijzeren raam en het kruissnarige systeem werden voor het eerst in Amerika toegepast. Hierdoor konden er ook grotere spanningen op de snaren komen dan bij de houten frames van voor die tijd, wat resulteerde in krachtiger fortes en betere stembaarheid.

In de 18e en 19e eeuw werd de piano een steeds geliefder object en nam het instrument een grote vlucht onder de gegoede burgerij. Op een piano kon men arrangementen van symfonieën spelen, of salonesque stukken, en het was een bron van burgerlijk vertier. Pianoles werd voor velen een deel van de muzikale opvoeding. Dit is ook de periode waarin een zeer aanmerkelijk deel van de pianoliteratuur werd geschreven. In de 20e eeuw is de piano een volwaardig instrument geworden, hoewel de concurrentie van geluidsdragers veel van de oorspronkelijke functie overnam. Desondanks bleef de pianomuziek een populair genre, tot op de dag van vandaag.

Modern mechaniek

Onderdelen van een piano.

De klank van een piano ontstaat wanneer een pianist toetsen indrukt, die via een mechanisme de hamers tegen de snaren slaan.

Deze hamers bestaan uit een houten steel met daaraan een houten kern die bekleed is met twee lagen vilt, namelijk een laag ondervilt en een laag hamerkopvilt. De lagen vilt worden met lijm aan de houten kern bevestigd en met grote kracht vastgeperst. De hardheid van het vilt bepaalt de hardheid van de klank. Het aanpassen van de hardheid van het vilt, maar ook de spanning in het vilt noemt men intoneren. Door schuren van de viltlaag wordt de klank scherper, door voorzichtig in het vilt te prikken met een intoneernaald (de hardheid en spanning nemen daardoor af) wordt de klank wolliger.

In rust drukken zachte vilten dempers tegen de snaren, om het doorklinken te voorkomen. Door het neerdrukken van een toets wordt deze demper van de betreffende snaar af getild, en slaat een met hard vilt beklede hamerkop tegen de snaren. Het trillen van de snaren wordt met een kam (voor het midden- en hogetonengebied) en een baskam (voor het lagetonengebied) overgebracht naar de zangbodem waardoor deze gaat zingen (resonantie). Als de toets wordt losgelaten, wordt de demper onmiddellijk weer tegen de snaar gedrukt waardoor de toon verstomt. Om het volume van de klank te vergroten, zijn de snaren in het midden- en hogetonengebied dubbel of zelfs in drievoud uitgevoerd. De hoogste tonen worden doorgaans niet gedempt, omdat de hoogste tonen veel korter doorklinken.

De piano heeft twee of drie pedalen:

  • Het linker pedaal brengt bij de staande piano, de hamerkoppen in hun rustpositie dichter bij de snaren, waardoor het geluid van de aanslag zachter wordt; kortere afstand betekent hierbij minder acceleratie met als gevolg een verminderde kracht bij het raken van de hamer op de snaren. De muziekterm voor dit pedaal is una corda. Bij een vleugel verschuift dit pedaal namelijk het hele klavier inclusief mechaniek, waardoor de hamers in plaats van de twee of drie snaren per toets er nog maar een of twee raken, wat een minder volume geeft. Als het pedaal opnieuw in de oorspronkelijke positie gebracht wordt, heet dit tre corde, wat drie snaren betekent.
  • Het rechter pedaal (sustainpedaal) laat de toon doorklinken na het loslaten van een toets doordat je met het indrukken van dit pedaal alle dempers van de snaren haalt. Als er sprake is van met pedaal spelen dan wordt steeds het rechter pedaal bedoeld.

Als er een derde (middelste) pedaal aanwezig is, kan deze verschillende functies hebben:

  • Een moderatorpedaal of studiepedaal dat een viltstrook tussen de hamerkoppen en de snaren brengt. Dit middelste pedaal is bedoeld om te vergrendelen voor het geval men wil oefenen zonder te veel geluidsoverlast te veroorzaken. Veel staande piano’s zijn hiermee uitgerust.
  • Een sostenutopedaal laat alle snaren, waarvan de toets is ingedrukt op het moment dat het pedaal wordt ingedrukt, doorklinken. Dit hebben enkel de grotere vleugelpiano’s en sommige staande piano’s zoals de piano Yamaha U3C.

De meeste piano’s hebben sinds ongeveer 1885 88 toetsen, met een ambitus van A0 tot C8, (van ”A tot c””’). Dat is een bereik van zeven octaven plus een kleine terts. Het aantal snaren kan per piano verschillen. Dit is afhankelijk van de mensuur die gebruikt is door de fabrikant. De snaren van een piano zijn gespannen in een gietijzeren frame wat pantserraam genoemd wordt. De trekkracht van de snaren op het pantserraam is voor alle snaren samen ongeveer 18.000 kg.

Alle moderne kamerpiano’s zijn kruissnarig uitgevoerd om de lengte-dikte-spanningsverhouding te kunnen optimaliseren binnen de beperkingen van de gegeven hoogte van de piano (mensuur).

Een vleugelpiano is in feite een piano waarbij de snaren niet staand, maar liggend zijn opgesteld. Ze zijn meestal langer uitgevoerd en klinken – vooral de laagste snaren – helderder, door een gunstiger lengte-dikte-spanningsverhouding. De vleugel ontleent zijn naam aan de vleugelvorm. De maten variëren van kleine salonvleugel (1,35 meter lang) tot grote concertvleugels (meer dan drie meter lang).

Inwendige van een kruissnarige piano

Stemmen en onderhoud

Stemmen

Regelmatig stemmen is een aandachtspunt. Voor piano’s die in huiskamers staan is de vuistregel dat men globaal twee keer per jaar (na de zomer en de winter) een stembeurt laat uitvoeren. Fluctuaties in temperatuuren luchtvochtigheid alsmede het (veelvuldig) bespelen zorgen voor ontstemming van het instrument. Hoe meer (en luider – immers er wordt meer kracht op de snaren uitgeoefend) er gespeeld wordt op een piano, hoe sneller het instrument ontstemt. Het instrument wordt gestemd door de tonen weer op de juiste onderling corresponderende hoogten te brengen. Het stemmen van een piano is een vaardigheid die de bespeler – de pianist – doorgaans niet zelf bezit. Speciaal opgeleide pianostemmers kunnen de piano komen stemmen (en ook overige kleine reparaties die door slijtage ontstaan uitvoeren).

Het stemmen gebeurt door het verdraaien van de stempennen, waaraan de snaren vastzitten. De stempennen zijn metalen stiften waaraan de snaren aan een zijde zijn bevestigd. Deze stiften zijn verankerd in een houten stemblok. Door het verdraaien van de stempennen verandert de spanning en daarmee de toonhoogte van de snaar.

De verdeling van de twaalf tonen binnen een octaaf heeft Pythagoras al hoofdbrekens gekost omdat de reinklinkende frequentieverhoudingen van octaven (1:2), kwint (2:3) en kwart (3:4) wiskundig niet verenigbaar zijn met de grote en de kleine terts (4:5 respectievelijk 5:6). Deze onvolmaaktheid leidde in eerste instantie tot veel verschillende stemmingen. Een voorbeeld hiervan is Werckmeister III.

In de tegenwoordig gebruikte gelijkzwevende stemming wordt deze onvolmaaktheid gelijkmatig verdeeld. Daardoor kan in elke toonsoort gespeeld worden omdat de tonen onderling ongeveer zuiver klinken. De onderlinge toonafstanden worden zodanig verdeeld, dat de frequenties van alle tonen zich onderling verhouden als de twaalfdemachtswortel uit 2, dat is (afgerond) 1,059463094. De onvolmaaktheid varieert per instrument, dit komt door de aan snaarinstrumenten inherente complicerende factor genaamd inharmoniciteit.

Onderhoud

Als een vleugel of piano veelvuldig bespeeld wordt, dient het mechaniek ook af en toe (doorgaans eens in de paar jaar) gereguleerd (gestemd) te worden. Bij dit reguleren worden de mechanische afwijkingen door een pianotechnicus weer in de juiste stand teruggebracht, zodat het klavier weer regelmatig bespeelbaar is. Bij een grote onderhoudsbeurt wordt doorgaans ook de rest van het instrument even nagelopen: pedaalwerking wordt gecontroleerd en waar nodig bijgesteld, de hamerkoppen worden geïnspecteerd en waar nodig geïntoneerd, snaren worden geïnspecteerd op roestvorming, de stempennen worden gecontroleerd op voldoende grip in het stemblok, de spanning van de zangbodem wordt gecontroleerd en er wordt gekeken naar materiaalzwakheden zoals scheurtjes in de zangbodem, slijtage van onderdelen in de piano (vilt en asjes en dergelijke).

Kwaliteit

De kwaliteit van een piano wordt bepaald door een aantal factoren:

  • de mensuur van het instrument
  • de gebruikte mechaniek
  • de dichtheid en opbouw van de zangbodem
  • de (compressie)spanning die heerst in de zangbodem (klankbord)
  • de mobiliteit of resonantieontvankelijkheid van het klankbord (zangbodem)
  • de gebruikte houtmaterialen
  • de speelaard van het instrument

Het behoud van de kwaliteit hangt af van:

  • de mate waarin er op gespeeld wordt
  • de mate van onderhoud
  • de stabiliteit van omgevingsfactoren zoals temperatuur en luchtvochtigheid van de ruimte

Bekende pianobouwers

  • August Förster, Tsjechisch
  • August Förster Lobau, Duits
  • Baldwin, Amerikaans
  • Bechstein, Duits
  • Berdux, Duits
  • Blüthner, Duits
  • Bösendorfer, Oostenrijks
  • Broadwood & Sons, Brits
  • Chris Maene
  • Erhard, Frans (merknaam Erard)
  • Fazioli, Italiaans
  • Feurich, Duits
  • Fonteyne L., België
  • Fritz Dobbert, Braziliaans
  • Förster, Duits
  • Geyer, Duits (DDR)
  • Grotrian-Steinweg, Duits
  • Hahn, Nederlands
  • Brødrene Hals, Noorwegen en Scandinavië
  • Hoffmann, Duits
  • Ibach, Duits
  • Kaps, Duits
  • Kawai, Japans
  • Kemble, Brits
  • Kemmler, Duits
  • Neupert, Duits
  • Pape, Duits/Frans
  • Petrof, Tsjechisch
  • Pleyel, Frans van Oostenrijkse afkomst
  • Rippen, Nederlands
  • Sauter, Duits
  • Schimmel, Duits
  • Seiler, Duits, van Poolse afkomst
  • Steinberg, een aantal fabrikanten met deze naam
  • Steinway, Amerikaans (van oorsprong Duits)
  • Yamaha, Japans
  • Zimmermann, Duits

Elektronische varianten

Van de piano bestaan ook elektromechanische en elektronische varianten. De Rhodes, Wurlitzer en Clavinet zijn elektromechanisch. De Rhodes en de Wurlitzer zijn echter geen snaarinstrumenten, maar idiofonen en de Clavinet is een elektrisch clavichord. Met de komst van digitale signaalverwerking en micro-elektronica zijn ook volledig elektronische op samples gebaseerde uitvoeringen op de markt gekomen, zoals digitale piano’s. In rock- of techno-muziek wordt vaker een elektrische piano of keyboard gebruikt. Een variant hierop werd een synthesizer.

Bron: WIKIMEDIA

Orgel

Orgel

Een orgel is een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere afzonderlijke pijpen waar lucht doorheen stroomt op een labium of op een tong. Het instrument wordt daarom gerekend tot de aerofonen. Een bespeler van een orgel noemt men een organist.

Geschiedenis

Het orgel zou een uitvinding zijn van Ktesibios, een werktuigkundige uit Alexandrië, en dateren uit de derde eeuw voor Christus. Hij noemde dit nieuwe muziekinstrument Hydraulos. De aulos was een populair dubbelriet-blaasinstrument; Ktesibios plaatste een reeks auloi van verschillende lengtes op een bak waar lucht onder druk in werd gepompt; een constante luchtdruk werd geleverd door een pompsysteem waarbij de luchtdruk werd gereguleerd door water. Een soortgelijk instrument, met één register, wordt in de eerste eeuw na Chr. beschreven door Heron, ook uit Alexandrië. De architect Vitruvius beschrijft, één of twee generaties voor Heron, al een ingewikkelder orgel met twee zuigerpompen en tot acht verschillende registers.

In de Hellenistische en Romeinse cultuur speelde het orgel een belangrijke rol bij muziekwedstrijden en (seculiere) plechtigheden.

Wanneer het idee ontstaan is om de ingewikkelde windvoorziening van de hydraulos te vervangen door blaasbalgen, is niet duidelijk. De eerste aanwijzingen van orgels met blaasbalgen dateren uit de 2de eeuw.

Met de neergang van het West-Romeinse rijk verdween ook het orgel in West-Europa, maar in het Oost-Romeinse rijk (Byzantium) bleef het voortbestaan. Hoe het orgel weer in het Westen geraakt is, blijft enigszins onduidelijk. Het is wel zeker dat Pepijn de Korte in 757 een orgel cadeau kreeg van de Byzantijnse keizer Constantijn V. Er is ook nog sprake van Georgius, een Venetiaanse priester, die rond 826 zou begonnen zijn met de bouw van orgels.

Tot hier toe heeft het orgel nog geen functie in de christelijke kerk. De vroege kerkvaders stonden zeer wantrouwend tegenover instrumentale muziek. Vanaf de 10de eeuw is er (in Engeland) sprake van orgels in kerken en kloosters. Het zou echter nog lang duren vooraleer het orgel volledig aanvaard zou worden in de christelijke kerken. Tegen 1300 is het orgel, ondanks tegenstand van de kerkelijke overheid, in veel stadskerken en kloosters in gebruik in de eredienst. Die centrale plaats in de eredienst zal het orgel innemen tot ca. 1970. In diverse protestantse kerken, met name van behoudende gereformeerde signatuur, staat het orgel echter nog steeds centraal in de eredienst.

Reformatoren als Johannes Calvijn en Huldrych Zwingli stonden kritisch tegenover het orgel. Calvijn schreef over het orgel als ‘sirene van de duivel’. Het orgel stond symbool voor de katholieke extravagantie en maakte de individuele christenen monddood, zo meenden hij. Maar in de Nederlanden waren er ook voorstanders van het orgel , onder wie Constantijn Huygens. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw introduceerden steeds meer Nederlandse kerken een orgel in de erediensten.

Variatie in klankkleur en -sterkte

De eerste orgels hadden geen registers waarmee rijen pijpen in- en uitgeschakeld kunnen worden. Variatie in klankkleur of -sterkte was dus niet mogelijk. Om toch aan de wens van afwisseling tegemoet te komen, bouwde men achter de speler een tweede orgel, dat rugpositief genoemd werd. Ook werd er wel een tweede orgel boven het eerste opgesteld, het bovenwerk. Om meer speelmogelijkheden voor de handen over te houden, werden de baspijpen met de voeten bespeeld: het pedaal, uitgevonden omstreeks 1470.

Na het jaar 1500 werd het mogelijk, door uitvinding van een manier om rijen pijpen in en uit te schakelen, veel meer klankkleuren ten gehore te brengen. Het mechanisme dat hiervoor gebruikt wordt, bedient de organist met het in- en uitschuiven van de registertrekkers naast of boven de speeltafel.

Het orgel ontwikkelde zich naar een hoogtepunt, dat bereikt werd in het midden van de 18e eeuw. Hierna werd er voortdurend geprobeerd het orgel te verbeteren en aan te passen aan de eisen van de tijd en veranderende smaak. Vooral de komst van het industriële tijdperk is van grote invloed geweest. In onze tijd zijn we weer teruggekeerd naar de bouwwijze van het orgel in deze periode van bloei van het mechanische orgel. Het belangrijkste dat wij uit onze huidige tijd hebben toegevoegd, is de elektrische windmachine. Deze zorgt dat de balgen gevuld blijven met orgelwind, waardoor we afscheid konden nemen van de orgeltrapper of calcant.

Basisonderdelen

Het stemmen van orgelpijpen

Het orgel is een blaasinstrument dat zijn oorsprong heeft in de fluit. In de loop der tijd evolueerde het door kleine aanpassingen tot zijn huidige vorm. De syrinx of panfluit lijkt door zijn aaneengeschakelde pijpen met vaste lengtes al een beetje op een orgelfront.

Het ligt voor de hand, dat men probeerde om, met de dubbelfluiten met hun mondstuk en met de panfluit als voorbeeld, een instrument te ontwikkelen waarmee men één of meerdere tonen tegelijk ten gehore kon brengen terwijl men het door één mondstuk aanblies. De oplossing bestond uit een aantal pijpjes (of fluiten) op een langwerpige doos, met aan de zijkant een mondstuk om de pijpen aan te kunnen blazen. Om te voorkomen dat alle pijpjes tegelijk zouden gaan klinken, werden er onder de pijpen klepjes of schuiven aangebracht, waarmee het mogelijk werd om de selectie van tonen die men wilde horen tot klinken te brengen.

Naarmate men meer pijpjes aan het instrument toevoegde, werd het moeilijker om het instrument met de beperkte capaciteit van de menselijke longen van voldoende wind te voorzien en ging men zoeken naar een mechanische oplossing van dit probleem. De afgestroopte huid van een dier (wordt balg genoemd) gebruikte men als reservoir voor de wind waarop het orgel kon spelen. Aangebracht tussen twee scharnierend aan elkaar verbonden planken, kon men druk op de balg uitoefenen. De hals van het dier (de krop) werd als uitgaande opening voor de wind aan het kanalensysteem van het instrument verbonden.

De onderdelen die nodig zijn om een gewoon orgel te laten functioneren, zijn:

  • De pijpen
  • De doos waarop de pijpen opgesteld staan: de windlade.
  • Het mondstuk waardoor de pijpen aangeblazen worden: de kanalen.
  • De balg, die zorgt voor de windvoorraad en de juiste druk van de orgelwind.
  • De klepjes die de windtoevoer naar de pijpen afsluiten: de ventielen.
  • De hefboompjes om die klepjes te openen en te sluiten: de toetsen.
  • verbinding van toets naar ventiel.

 

Bron: WIKIPEDIA

Viool

Viool

Viool

Een viool

De viool is een snaarinstrument met vier snaren.

De klank wordt voortgebracht door de snaren in trilling te brengen met een strijkstok. De snaren hebben van laag naar hoog de noten G,D,A en E (sol, re, la en mi). De houten klankkast versterkt het geluid van de trillende snaren. De viool wordt bespeeld door het instrument tussen kin en schouder te zetten. Met de vingers van de linkerhand drukt hij de snaren af tegen de ebbenhouten toets. Zo verkort hij de snaar te (en klinkt hij dus hoger).

De viool heeft 4 stemkoppen bij de krul zitten. Hiermee kan je de stemmen. De snaar zit hieromheen gewikkeld en door te draaien kan je de strak trekken en zo hoger laten klinken. In de klankkast zitten twee f-gaten. Hieruit komt het geluid.

De viool wordt bespeeld door een violist(e).

De geschiedenis van de viool

Wie de 1ste viool heeft uitgevonden, dat weten we nog niet.

Het moet een Italiaan geweest zijn, het was in ieder geval best wel lang geleden.

Onderdelen van een strijkstok

In de middeleeuwen bestonden er al snaarinstrumenten. Sommigen werden getokkeld, tokkelen dat is: bij een gitaar dan maak je met je vingers het geluid, en dat heet tokkelen. Andere werden gestreken, zoals de viool. Op dit plaatje zie je de strijkstokken in verschillende periodes. (1620, 1640, 1660, 1700 en 1790, ) De vioolbouwers wilden niet alleen dat hun violen er mooi uit zagen, ze wilden ook een heel mooie toon hebben, die niet snel kapot zou gaan. De eerste echte violen werden ongeveer in 1550 gebouwd in het Italiaanse vioolcentrum Brescia en Cremona. In Cremona werkte de beroemde vioolbouwer Andrea Amati, die leefde van het jaar 1535 tot en met het jaar 1610. Andrea Amati had erg veel talent voor het oplossen van klankproblemen. Zijn vorm van de viool kwam al dicht bij de vorm van de viool die we nu kennen. Die vioolvorm die we nu kennen heeft Antonio Stradivari gemaakt en ontworpen.

Hoe de viool gemaakt wordt

Voor het bouwen van de viool heb je meer dan 70 onderdelen nodig. En er worden verschillende soorten hout voor gebruikt. Voor het bovenblad wordt vuurhout gebuikt, dat is het hout van de fijnspar. Ze gebruiken het voor het bovenblad omdat het redelijk zacht hout is. Het achterblad wordt gemaakt van esdoornhout, dat is hard hout. De lak wordt meestal zelfgemaakt door vioolbouwers. Een viool zonder lak noem je een viool in het wit. Nauwkeurigheid is superbelangrijk bij het bouwen van de viool.

De stok van de strijkstok wordt met de hand gesneden en boven aan de strijkstok wordt het met een vlam het goede model gebogen. De haren zijn pan een paardenstaart gemaakt en de paardenharen zitten met kleine houten vierkantjes, onder en boven de stok vastgemaakt.

De onderdelen van de viool

Bij de viool heb veel onderdelen.

De snaren: een viool heeft 4 snaren, allemaal even lang, maar allemaal een andere dikte. Hoe dunner de snaar, hoe hoger hij klinkt. Je hebt de E-, A-, D-, en de G snaar. De kam: de kam staat los van de viool, de snaren zijn zó strak gespannen dat de kam blijft staan. De kam staat met 2 voetjes op het bovenblad van de viool. Het staartstuk: het staartstuk houdt de snaren stevig vast. De sleutels: als je deze sleutels naar achter of naar voren draait, wordt de snaar slapper of juist strakker gespannen. De violisten stemmen hier hun viool mee. Fijnstemmer: met de fijnstemmers kan je de snaar erg nauwkeurig zuiver maken, nog veel nauwkeuriger dan de sleutels. F-gaten: de F-gaten zorgen ervoor dat het bovenblad van de viool makkelijker kan trillen, waardoor de lucht in trilling wordt gebracht en dat brengt het geluid voort. Het wordt zo genoemd omdat ze de vorm van een F hebben. De hals, de krul, de schroevenkast en het kielhoutje. De toets: door de snaren op verschillende plaatsen tegen de toets te drukken kan je heel veel tonen spelen. Kinhouder: vroeger hadden ze nog geen kinhouder die is later pas uitgevonden, het is een steun voor de kin. Strijkstok: de paardenharen van de strijkstok worden gespannen met een schroef aan de slof, je kan de schroef ook los draaien, dat doe je wanneer je de stok niet meer gebruikt.

Bron: WIKIKIDS

harmonie en solfege

harmonie en solfege

Solfège is de stelselmatige training van het muzikale gehoor door middel van een muzikale zangoefening, waarbij de melodie gezongen wordt zonder de tekst en met gebruikmaking van alleen de namen van de noten. Het doel van deze oefening is het muzikale gehoor te vergroten en tevens door zonder voorstudie van het blad te zingen de trefzekerheid te verhogen met betrekking tot ritme en melodie. Solfège valt onder de muziekdidactiek.

Solfegiëren is het hiervan afgeleide werkwoord en betekent zowel het zingen van toonladders als het zingen van een muziekstuk met benoeming van de noten.

In het professioneel muziekonderwijs (conservatoria) en in de hogere graad van de muziekscholen wordt het begrip solfège inmiddels in een bredere context gebruikt. Zo bestaan er afzonderlijke lessen ritmische solfège (het noteren van een ritme en het uitvoeren van een genoteerd ritme) en worden het muzikaal dictee en het herkennen van akkoorden in de harmonieleer tot het gebied van de solfège gerekend.

Een ‘solfeggio’ is de Italiaanse muziekterm voor een genoteerde oefening op het gebied van de solfège. Het woord ‘solfège’ is afgeleid van de muziektermen ‘sol’ en ‘fa’. In Italië is ‘solfa’ een andere term voor notenschrift of muziek (zoals in de uitdrukking ‘la solita solfa’ ofwel ‘het oude liedje’).

Harmonieleer is het onderwerp binnen de muziektheorie dat de opeenvolging van akkoorden en hun samenhang beschrijft. In de klassieke muziek is er traditioneel sprake van zogeheten tonaal-functionele harmonie, alternatieven zijn onder andere de modaal-functionele harmonie en de atonaliteit. Er is sprake van harmonie wanneer er een aantal verschillende tonen tegelijk klinken. In de striktere zin wordt in de harmonieleer onder harmonie verstaan: de (al dan niet functionele) opeenvolging van akkoorden. Een akkoord is in de klassieke harmonieleer doorgaans een opeenstapeling van minimaal 2 tertsen op een trap (ook wel een ‘drieklank’ genoemd). In de ruimere zin wordt onder harmonie verstaan: het omgaan met samenklanken binnen een stuk of stijl.

Bron: WIKIPEDIA

Wie zijn wij?

Katja Vinogradskaya
Viooldocente
Katja Vinogradskaya werd geboren in Zhitomir, in de voormalige Sovjet-Unie. Zij studeerde aan de Muziekcollege van Zhitomir, waar ze haar studie afrondde met het predikaat “Uitmuntend”. Samen met haar man geeft ze les in hun eigen lespraktijk in Genemuiden, Hasselt en Staphorst.
corploeg
Cor Ploeg
Piano- en Orgeldocent

Cor Ploeg ontving zijn orgellessen van Jan Zwanepol en Harry Hamer. Vervolgens studeerde hoofdvak Orgel aan het Conservatorium te Zwolle bij Dorthy de Rooy en Harm Jansen. Daarnaast studeerde hij de bijvakken Piano, Koordirectie, Gregoriaans en Kerkmuziek. Als dirigent is hij verbonden aan een zestal koren. Samen met zijn vrouw, Katja Vinogradskaya, heeft hij een uitgebreide lespraktijk in Genemuiden en Staphorst. Daarnaast schrijft Cor muziek voor koor en klein orkest.

  • Hermen van ArnhemHermen van ArnhemOrgelleerling

    Toen ik bij Cor op les ging, vond ik het heel moeilijk om noten te lezen. Ik ging eerst weinig vooruit, maar Cor vond voor mij de juiste aanpak. Nu lukt het mij zelfs om moeilijke stukken in te studeren. Ik had nooit gedacht dat ik zo ver zou komen. En mijn ouders ook niet…

  • Lawrence TalenLawrence TalenOrgelleerling

    Goede lessen. We lachen altijd vreselijk veel, maar er wordt wel hard gewerkt. 

  • Jaron MusscheJaron MusschePianoleerling

    Ik vind het wel leuk. Je leert er wel goed pianospelen.

  • Krijn BrandsenKrijn BrandsenOrgelleerling

    STEL JE VOOR DAT… je een orgel wilt leren bespelen. Ga dan eens langs bij Cor Ploeg en laat je inspireren door zijn enthousiasme.

    Ik spreek uit ervaring!

  • Roderick van ArnhemRoderick van ArnhemOrgelleerling

    Ik was 6 jaar toen ik bij Cor op pianoles ging. Ik vond het altijd heel leuk en ik heb veel geleerd. Vooral de voorspeelmiddagen vond ik altijd heel leuk. Na zes jaar pianoles heeft Cor mij doorgestuurd naar een andere leraar. Ondertussen ging ik ook van orgelspelen houden. Orgellessen volg ik nog wel bij Cor. Ik denk dat hij nog heel veel kan leren.

  • Mathilde VosMathilde VosOrgelleerling

    Ik vind het wel leuk, anders zou ik toch niet op orgelles zitten? Het orgel is het mooiste instrument wat er is!!

  • Gilana HokseGilana HoksePianoleerling

    Ik vind het leuk. Ik heb al heel goed piano leren spelen bij Cor.   

  • Lorita van EttekhovenLorita van EttekhovenPianoleerling

     Ik vind het erg mooi. Cor doet het heel erg goed. 

  • Vera TalenVera TalenPianoleerling

    Ik vind liedjes spelen heel erg leuk. De verschillende geluidjes vind ik grappig en dan kun je hele leuke liedjes maken.  

  • Robert WeessiesRobert WeessiesOrgelleerling

    Cor geeft op een enthousiaste maar ook geduldige manier les. De les is lekker ontspannen, maar er moet wel gewerkt worden. Zelf volg ik mijn lessen op het prachtige orgel in de Grote Kerk in Genemuiden. Een ervaring op zich!

  • Geertine SpikerGeertine SpikerPianoleerling

    Ik heb nu ongeveer 4 jaar les gehad, en je leert eigenlijk best wel veel.  

  • Martine CompagnerMartine CompagnerVioolleerling

    Ik vind het wel nog een beetje moeilijk maar wel heel erg leuk.

Doe je kind vandaag nog op muziekles

Is het goed om je kind op muziekles te ‘doen’? We vroegen het Artur Jaschke, lector muziektherapieën aan ArtEZ University of Arts in Enschede en neuromusicoloog aan de Vrije Universiteit Amsterdam. 

‘Ja!’, antwoordt Artur Jaschke. Hij volgde vier groepen jonge kinderen 2,5 jaar lang om het effect van muziekonderwijs op hun ontwikkeling in kaart te brengen. De eerste groep kreeg muziekles op school, de tweede op school en thuis, een derde groep kreeg les in beeldende kunst en een laatste groep kreeg geen extra creatief onderwijs.

Langzaam resultaat
‘Na een jaar maakten we ons flinke zorgen’, zegt Jaschke. ‘Er was zoveel geïnvesteerd in die lessen en we zagen geen resultaat. Maar daarna werden de verschillen zichtbaar en na afloop van die 2,5 jaar scoorden de kinderen die muziekles hadden gekregen, fors beter op alle testjes die we ze lieten doen.’

Blijkbaar vraagt het luisteren naar en maken van muziek zoveel van je brein, dat het een soort algemene breintraining is.

Muziekleerlingen doen het beter
De muziekleerlingen konden beter plannen, meer opslaan in hun werkgeheugen, zich beter beheersen, waren beter in taal en rekenen en scoorden zelfs beter op hun schooltoetsen. ‘We waren aangenaam verrast dat de effecten zo uitgesproken waren. Blijkbaar vraagt het luisteren naar en maken van muziek zoveel van je brein, dat het een soort algemene breintraining is. Je maakt betere verbindingen aan tussen verschillende hersengebieden en tussen individuele hersencellen en dat vertaalt zich in vooruitgang op die tests.’

De Quest Psychologie 04/2018 is uit! Lees artikelen op Blendle of koop het blad in de Questshop.

(Foto: Shutterstock / Tekst: Quest Psychologie)

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten